Anachronistische architectuurkritiekVan der Grinten: Smet op werk van moderne welstandscommissies

De Federatie ruimtelijke kwaliteit biedt op haar website momenteel ruimte aan voorzitters van stadscommissies. De aanleiding voor deze  reactie was het interview met de voorzitter van de stadscommissie van Delft en Hilversum, Paul van der Grinten. In het artikel demonstreert deze voorzitter hoe hij zijn taak ziet en  opvat in ‘zijn’ commissies. De door deze voorzitter geëtaleerde opvatting over zijn rol als voorzitter en lid van een commissie welstand is dermate anachronistisch en buiten de proportionaliteit die binnen regulier welstandsbeleid gehanteerd dient te worden dat dit vraagt om een reactie.

Zijn betoog komt er op neer dat de voorzitter wel bepaalt welke architectuur geschikt is op een locatie. Ben je als architect overgeleverd aan deze gelukkig steeds zeldzamer wordende cultuur, en ben je een andere mening toegedaan, zal deze voorzitter niet schromen, ik citeer: ‘Ik ben niet bang om een opdrachtgever te adviseren een andere architect in de arm te nemen’. Onderliggende argumentatie (lees: dreigement) is voor deze voorzitter middel om de eigen architectuur opvatting of een poging de eigen coryfee in te schakelen. Als je, zoals deze voorzitter, nauwelijks enige praktijkervaring hebt als architect, is er altijd nog het prettige gevoel om tegen een coryfee aan te kunnen schuren die je er zelf hebt doorgedrukt.

Voor opdrachtgevers die niet bekend zijn met deze cultuur resteert niets dan een keuze, vechten en een langdurige (kostbare) strijd aan te gaan met deze voorzitter met een ongewisse afloop of zwichten voor deze dwang. De voorzitter heeft de tijd aan zich en voor hem telt, onder het mom van kwaliteit, dat er geen grenzen zijn aan zijn machtspositie. Immers wie controleert hem? De overige commissieleden komen in het gewraakte artikel niet in beeld. Resultaat blijft dat de incidentele opdrachtgever het advies wel moet overnemen om daarmede een snelle goedkeuring te  verkrijgen. De intelligentie van de voorzitter gaat natuurlijk wel zo ver dat hij bij ervaren opdrachtgevers niet zo gauw in zijn hoofd zal laten op dit machtsspel te spelen.

Het is deze voorzitter, die zich anno 2014 nog laat leiden door zijn persoonlijke opvatting over wat architectonische kwaliteit is. Die zich niet gebonden acht aan de  in 2004 door de raad van de gemeente vastgestelde welstandsnota waarin de ambities staan waaraan hij zich dient te houden. Een voorzitter die het nog de gewoonste zaak van de wereld vindt om architecten wier plannen niet in zijn architectonische straatje passen achter hun rug via hun opdrachtgever het bos in te sturen. Het in het gewraakte artikel door hem ten tonele gevoerde resultaat van een school  is  typerend voor deze houding. Beide plaatjes voldoen ongetwijfeld zonder meer aan de redelijke eisen van welstand van de welstandsnota van de gemeente. Hij hanteert, onder het mom van kwaliteitsstreven, een machtsspel waarbij hij alle tijd (macht) heeft om waar mogelijk zijn totale gebrek aan enige eigen ontwerpervaring waar mogelijk te compenseren met het doordrukken van de eigen theoretisch oprispingen. Dat hierbij relaties moeten sneuvelen is voor deze voorzitter geen issue. Immers hij hanteert het abstracte ‘kwaliteit’ als even ongrijpbaar argument en vanzelfsprekend volledig buiten het boekje van de welstandsnota. Hij moet bij de school nog wel toegeven dat in dit geval de architect niet gesneuveld is…….

Dat het aanzien van commissies voor alle betrokkenen een diepgaande afkeer van deze wijze van architectuurpolitie bedrijven (met dank aan Carel Weber)  genereert zal niemand verbazen. Op mijn bureau liggen 2 bijdragen aan de cultuur van welstandscommissies uit een grijs verleden. Het ene is van  H. van der Kloot Meijburg met zijn visie uit 1930 op de bouwkunst van stad en op het land en het ander is van S. van Embden met als titel ‘ Onze bouwkunst van alle dag’  uit 1946.  In beide boeken is  vanuit de ervaring van de schrijvers in welstandscommissies een cultuur  van architectuurkritiek te lezen die kenmerkend is voor de periode waarin ze werd toegepast. Eveneens is  in de boeken een, zoals het nu overkomt, aandoenlijke aandacht voor het architectonische detail opgenomen. Een opvatting die wellicht geëigend was in die vooroorlogse periode maar die door het vastleggen van de architectonische ambitie in raadsbeleid en de evolutie van de rol van commissies  volledig achterhaald is. Kern van beide boeken is dat er geen verschil wordt gemaakt tussen architectuurkritiek en een beoordeling aan redelijke eisen van welstand zoals de wetgever dit begin zestiger jaren van de vorige eeuw zo trefzeker heeft geformuleerd. De analogie met de opvatting van voorzitter van der Grinten is treffend. In plaats een dienende rol binnen de kaders van de het gemeentelijk beleid etaleert deze voorzitter zijn eigen opvatting als zijnde de enig juiste voor een situatie of plan. Hoewel ik zelf voorstander ben van vakinhoudelijke voorzitters vraag ik me in dit geval serieus af of een bestuurlijk voorzitter voor de commissies in Delft en Hilversum voor de kwaliteit van het functioneren van een commissie niet een veel betere keuze zou zijn.

Dat de tijden inmiddels echt veranderd zijn en dat gemeenteraden bepalen waar plannen aan moeten voldoen is blijkbaar aan deze ‘voorzitter’ volledig voorbij gegaan. Immers uitsluitend nog door daartoe aangestelde stadsbouwmeesters met een specifieke opdracht of door een vooraf expliciet gedefinieerd beleid kan nog architectuur nagestreefd worden. Dat dit uitzonderingen zijn weten we uit rijke ervaring. Het misbruiken van de rol als voorzitter van een adviescommissie aan B&W om, zonder een dergelijk architectuur beleid, de eigen architectuuropvatting door te drukken getuigt van arrogantie, is misplaatst en achterhaald. Het werpt indirect een grote smet  op het werk van commissies die zich wel houden aan de spelregels anno 2014.

Op persoonlijke titel,

Frans van den Meiracker

Directeur Dorp, Stad en Land


Nieuwe Publicaties

Onderstaande publicaties zijn zolang de voorraad strekt, tegen verzendkosten te bestellen bij de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit: info@ruimtelijkekwaliteit.nl of 020 412 49 64

  • Jaarverslag 2018Jaarverslag 2018

    De Federatie Ruimtelijke Kwaliteit bereidt zich voor op de toekomst. Een nieuwe beleidsvisie op komst, en personele wissels.

    lees verder

  • De Flitsende StadDe Flitsende Stad

    Steeds meer gemeenten kiezen voor een specifiek beleid ten aanzien van digitale buitenreclame. Hiervoor heeft de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit een handreiking opgesteld. Geen blauwdruk, maar een leidraad met aanbevelingen en voorbeelden.

    lees verder

  • Jaarverslag 2017Jaarverslag 2017

    Veel activiteiten in een productief jaar!

    lees verder

Federatie Ruimtelijke Kwaliteit