10-07-13Gulpen, vergunningvrij bouwen verboden

ECLI:NL:RVS:2013:228

 

Overweging 2.2: Een gemeente kan wel degelijk voorkomen dat bewoners vergunningvrije bouwwerken bouwen. In Gulpen is het erf rond een woning belegd met de dubbelbestemming 'landschapswaarden', bestemd uitsluitend voor de ontwikkeling en instandhouding van het landschap. Er is een aanlegvergunningenstelsel aan gekoppeld.
Gemeente, rechtbank en Raad van State zijn het met elkaar eens: door deze dubbelbestemming voldoet het perceel niet meer aan de definitie van 'erf' uit het Besluit Omgevingsrecht, bijlage II, en dat betekent dat het vergunningvrij realiseren van bebouwing op het achtererfgebied hier dan ook niet mogelijk is.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
201209655/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft het college aan [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om met onmiddellijke ingang alle werkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een bouwwerk achter het woonhuis op het perceel de [locatie] te Eys (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201209655/1/A1.

Datum uitspraak: 10 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eys, gemeente Gulpen-Wittem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 september 2012 in zaak nr. 12/113 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft het college aan [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om met onmiddellijke ingang alle werkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een bouwwerk achter het woonhuis op het perceel de [locatie] te Eys (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] en J.E. Day, en het college, vertegenwoordigd door A. Heijnens-Ackermans en J. Ossewaarde, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De in geding zijnde bouwwerkzaamheden waarop de last ziet, betreffen de bouw van een garage op het perceel. Vast staat dat voor de bouw van de garage geen omgevingsvergunning is verleend. De garage is voorzien op grond direct gelegen bij de woning, zijnde het hoofdgebouw op het perceel, en die als tuin bij de woning is ingericht ten dienste van het gebruik van de woning.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "erf" als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en derhalve heeft miskend dat de garage een vergunningvrij bouwwerk op een achtererfgebied betreft. Hij voert daartoe kort weergegeven aan dat de direct bij het hoofdgebouw gelegen grond waarop de garage is voorzien en die in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en ook als zodanig wordt gebruikt, aangemerkt moet worden als erf bij het hoofdgebouw.

2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 5.17, voor zover hier van belang, kan een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet inhouden dat het bouwen van een bouwwerk wordt gestaakt.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Bor is, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, van die bijlage is, voor zover thans van belang, geen omgevingsvergunning vereist voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van die bijlage wordt onder achtererfgebied verstaan: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw.

Ingevolge het bepaalde in dat lid wordt onder erf verstaan: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Eys" rust op het perceel de bestemming "Wonen - 1".

Ingevolge artikel 16.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "landschapswaarden" bestemd voor uitsluitend instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden.

2.2. De garage is weliswaar voorzien op een gedeelte van het perceel dat direct bij het hoofdgebouw is gelegen en feitelijk is ingericht ten dienste van het gebruik van de woning, maar dit perceelgedeelte is ingevolge het bestemmingsplan aangeduid als grond voor de instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden. Met het oog op deze aanduiding is een aanlegvergunningvereiste in het bestemmingsplan opgenomen. De rechtbank heeft in navolging van het college terecht overwogen dat het perceelgedeelte waarop de garage is voorzien, in dit geval niet kan worden aangemerkt als "erf" als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, vanwege de landschappelijke waarden die daaraan is toegekend. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het betreffende perceelgedeelte, nu het geen erf betreft, evenmin als "achtererfgebied" als bedoeld in die bepaling kan worden aangemerkt. De voorziene garage kan derhalve niet als een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied vergunningvrij worden opgericht.

De rechtbank heeft, nu de garage niet op grond van de Wabo vergunningvrij mag worden gerealiseerd en voor de garage geen omgevingsvergunning is verleend, terecht overwogen dat het college bevoegd was een bouwstop met dwangsom op te leggen ter voorkoming van illegaal verder bouwen.

Het betoog faalt.

3. In hoger beroep heeft [appellant] herhaald dat het college in strijd met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld en daarom geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.17 van de Wabo.

3.1. Artikel 5.17 van de Wabo voorziet, evenals artikel 100d van de Woningwet tot 1 oktober 2010 deed, in een uitdrukkelijke bevoegdheid om de bouw van een bouwwerk te staken dat zonder omgevingsvergunning wordt gebouwd, in afwachting van mogelijke te treffen handhavingsmaatregelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 maart 2013 in zaak nr. 201207573/1/A1) bestaat geen aanleiding om het gebruik van de in artikel 5.17 van de Wabo gegeven bevoegdheid naar andere maatstaven te beoordelen, dan het geval was bij toepassing van de vergelijkbare bevoegdheid die in artikel 100d van de Woningwet was opgenomen. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100082/1/H1, dat betrekking heeft op de toepassing van de in artikel 100d van de Woningwet geregelde bevoegdheid, wordt overwogen dat uit de aard van de bevoegdheid volgt dat het betoog dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden slechts tot het oordeel zou kunnen leiden dat daarvan geen gebruik mocht worden gemaakt, indien op voorhand duidelijk is dat het college in gelijke of daarmee gelijk te stellen gevallen daarvan geen gebruik pleegt te maken. Dit geldt naar het oordeel van de Afdeling evenzeer voor het betoog dat het verbod van willekeur is geschonden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor het college ten tijde van het opleggen van de bouwstop niet op voorhand duidelijk was dat het in gelijke of vergelijkbare gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid en in zoverre het niet in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2013

Terug naar het overzicht

Nieuwe Publicaties

Onderstaande publicaties zijn zolang de voorraad strekt, tegen verzendkosten te bestellen bij de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit: info@ruimtelijkekwaliteit.nl of 020 412 49 64

  • Jaarverslag 2020Jaarverslag 2020

    De Federatie had een bijzonder actief jaar in 2020. De nationale dialoog bouwcultuur. Verhuizing naar Amersfoort. Handreiking adviesstelsel, verkenning bedrijventerreinen. Digitale beeldspraak.

    lees verder

  • Omgevingskwaliteit - investeren in een beter NederlandOmgevingskwaliteit - investeren in een beter Nederland

    De Federatie Ruimtelijke Kwaliteit formuleerde in april 2021 haar wensenlijst voor de komende kabinetsperiode: investeer in kwaliteit.

    lees verder

  • Kwaliteit van bedrijventerreinenKwaliteit van bedrijventerreinen

    De 3500 bedrijventerreinen in ons land zijn zelden pareltjes van ruimtelijke kwaliteit. Toch werkt één derde van de beroepsbevolking op een bedrijventerrein. Er is momenteel in politiek en samenleving veel aandacht voor een aantrekkelijke leefomgeving, maar over een aantrekkelijke werkomgeving wordt minder gesproken.

    Benodigde investeringen vanwege verduurzaming van de energieproductie, klimaatadaptatie of de transformatie van werken naar wonen en winkelen zijn een kans om de ontwerpkwaliteit van de gebieden en gebouwen te verbeteren.

    lees verder

Federatie Ruimtelijke Kwaliteit